De aarde is plat, varkens kunnen vliegen, en Nederland is een … democratie ?

Sommige dingen zijn zo algemeen bekend en aangenomen dat niemand ze nog in vraag stelt. Zo dacht men vroeger bijvoorbeeld dat de aarde plat was. Je moest al een rare kwiet zijn om je af te vragen ‘maar is dat wel zo?’. Zo leven we vandaag (hier in Nederland) in een democratie. Dat weet immers iedereen. Maarre … is dat wel zo?

We kunnen het vragen aan een willekeurige voorbijganger op straat, in negen op de tien gevallen krijg je dan iets in de aard van: “Och, politiek, daar kunde toch niets aan veranderen”. Of misschien moeten we het vragen aan iemand die er meer van weet. We vragen het dus aan Jos Verhulst, auteur van “Het verdiepen van de democratie”. Zijn mening: “We leven niet in een democratie, we leven in een particratie”. Je kan het desnoods aan prof. Wilfried Dewachter, een politicoloog, vragen: “Om de particratie te versterken aarzelt de huidige regering zelfs niet om de verkiezingen te manipuleren.” (Knack) Of euhm, misschien weet een Minister het beter? Politiek is tenslotte zijn vak. Minister Marc Verwilghen (toen nog Belgisch parlementslid)

“Dat we in een democratie leven is een illusie. We leven in een particratie.” (De Standaard Magazine)

En zelfs de Belgische ex Premier, Guy Verhofstadt (in één van zijn vroegere burgermanifesten)

“Wij leven niet in een democratie doch in een particratie”.

Tenslotte kunnen we er zelfs de grondwet bijhalen. In artikel 33 lezen we het volgende:

“Alle machten gaan uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald”

Mja, daar zijn we natuurlijk nog niet veel verder mee, even uitleg vragen, aan de Raad van State:

“Zowel uit deze bepaling zelf, […], blijkt dat de Grondwet niet een stelsel gebaseerd op de volkssoevereiniteit heeft ingesteld, doch wel een stelsel gebaseerd op de nationale soevereiniteit waarbij de Natie wordt vertegenwoordigd door de gestelde machten en meer in het bijzonder, wat de wetgevende macht betreft, door de volksvertegenwoordiging”

In mensentaal; in Nederland en België is niet het volk de baas, maar ‘de gestelde machten’ (de elite dus).

En o ja, wij mogen die machthebbers zelf kiezen, maar zij zijn wel diegenen die dus de macht hebben, en niet het volk. Nochtans betekent ‘democratie’ (van het Griekse ‘demos’ (volk) en ‘kratein’ (heersen)) wel degelijk dat het volk moet heersen, en nièt dat ‘de gestelde machten’ moeten heersen. Natuurlijk heb je mensen (volksvertegenwoordigers) nodig die zich full-time met politiek bezig houden, maar als die hun job (het volk vertegenwoordigen) niet goed uitoefenen (en hun mening de mening van het volk dus niet vertegenwoordigt), dan moet het volk rechtstreeks kunnen beslissen. Anders heb je geen democratie, dan heb je een particratie. En ‘particratie’ is geen intellectueel uitvindseltje, particratie betekent dat een hoop partijen de macht hebben i.p.v. de bevolking. Met die rariteit dat we zelf mogen beslissen welke partij de grootste wordt, maar daarna kunnen die partijen doen wat ze willen. Je kan dan bij de volgende verkiezingen op een andere partij stemmen, die iets anders belooft. Maar als dat ook niet blijkt te werken? En ook een volgende partij niet? Dan krijg je een ‘kloof tussen burger en politiek’, dan krijg je mensen die zeggen ‘och, politiek, daar kunde toch niks aan verandere’. En dat is dan niet uit onwetendheid.

Vergelijk het met een schilder in huis halen, die kan immers beter schilderen dan jij zelf. Maar zodra die schilder binnenkomt zegt hij “bon, en nu gane kik eens beslissen hoe dat uw huis der uit gaat zien hé madammeke”. En jij staat daar dan bedremmeld bij, laat die schilder vier jaar schilderen, je bent het niet eens met de kleur van de living, je laat dat weten aan de schilder maar die zegt doodleuk “ja madammeke, dat vraagt nu eens artistieke moed om tegen de wil van de klant in te gaan hé”. Na vier jaar is je huis een puinhoop waar je misselijk wordt van de kleuren die helemaal niet zijn zoals je wil, en je stuurt de schilder je huis uit, en vraagt een nieuwe, om al die rotzooi wat te overschilderen. Hij begint aan je living, in het rood! Je schreeuwt moord en brand dat je dat absoluut niet wil en je krijgt te horen “Er wordt wel meer in kleuren geschilderd waar de klant het niet mee eens is” (“Er worden wel meer beslissingen genomen waar veel burgers tegen zijn.” Steve Stevaert – HUMO, 7 oktober 2003). Of de keuken in het donkerblauw, zelfde verhaal, het antwoord: “Dat gij da geen schone kleur vindt is nog geen argument hé” (“Dat de meeste burgers tegen zouden zijn is geen argument.” Annemie Neyts – HUMO, 7 oktober 2003).

En ik weet wel, ‘over kleuren en smaken discussieer je niet’, maar in een democratie gaat het niet over kleuren. In een democratie gaat het over wetten, over morele keuzes die men moet maken, over de vraag dus, hoe je wil dat je land eruitziet. En iedere burger heeft evenveel recht om daarover te beslissen.

Een echte democratie dus, maar hoe ziet dat eruit, hoe werkt dat? Als je in een kleine gemeenschap leeft is het redelijk eenvoudig; iedereen komt samen, iedereen kan vrij voorstellen doen, erover praten en discussiëren, en uiteindelijk mag iedereen erover stemmen. Maar in zelfs een klein land als België is zoiets op federaal vlak niet mogelijk, althans, niet voor elke wet. Enkel voor zaken dus waar de ‘volksvertegenwoordiging’ het volk niet ‘vertegenwoordigt’. In zo’n geval kan een groep burgers handtekeningen beginnen ophalen, bijvoorbeeld 2% van de kiesgerechtigde Belgen. Als ze die bereiken, dan komt hun voorstel op de ‘agenda van de volksvergadering’. Of iets moderner uitgedrukt; dan komt er een referendum. Er start dan een écht, breed maatschappelijk debat. Niet alleen een debat in de krant en op TV, tussen corrupte journalisten, corrupte academici en corrupte incompetente politici, maar een debat tussen iederéén. Stel je voor; die mevrouw X (je buurvrouw, je vriendin, je grootmoeder, …) wiens stem even beslissend zal zijn als die van Mark ”leugenaar” Rutte! Niet meer zagen over de politiek, maar erover praten met toevallige voorbijgangers; volgende zondag is het immers zover, en dan zal jouw stem, en die van de persoon waarmee je op de trein aan het babbelen bent misschien beslissend zijn! Enkele weken voor de stemming krijgt iedereen dan een foldertje thuis in de bus, met daarin het voorstel, de argumenten voor en tegen, en de stemadviezen van partijen, vakbonden, kerken, milieuorganisaties, middenstandsverenigingen, …

Maarre… zo’n referendum, kan dat niet ‘gevaarlijk’ zijn? Misschien gaan ‘ze’ (nooit jijzelf natuurlijk) wel de doodstraf terug invoeren? Of willen ‘ze’ alle belastingen afschaffen? Of zullen ‘ze’ alle vreemdelingen buitengooien?? Om een simpel antwoord te geven; nee. Directe democratie bestaat, en op de plaatsen waar het bestaat worden er geen domme of gevaarlijke beslissingen genomen. Het is daar geen sociale en economische nachtmerrie waar vrijheden en minderheden worden onderdrukt. Integendeel. Hoe meer directe democratie, hoe gelukkiger mensen zich voelen. (‘De mogelijkheid om te participeren in democratische referenda heeft een krachtig positief effect op de tevredenheid over het eigen leven.’ uit een rapport van de strategen van de Britse premier Tony Blair, 2002). De verklaring moet je niet zo ver gaan zoeken.

Alle bovenstaande ‘gevaren’ bij directe democratie zijn een teken van wantrouwen. Wantrouwen tegenover ‘het volk’, tegenover iedereen die over straat loopt, want die persoon zou (in tegenstelling tot ikzelf) wel eens slechte of domme dingen kunnen doen. Dat wantrouwen vreet aan een samenleving, het maakt het ‘sociaal kapitaal’ kapot. Sociaal kapitaal is vertrouwen in de gemeenschap, het vertrouwen dat als je iemand de weg vraagt, dat hij je dan de juiste kant op stuurt, het vertrouwen dat als je over straat loopt dat je dan niet overvallen wordt, en het vertrouwen dat je medeburgers in een stemhokje, als er een belangrijke morele keuze gemaakt moet worden, dat je medeburgers dan het goede zullen (proberen) doen. Net zoals jijzelf.

ODVN - Logo

Michaël Bauwens